Inleiding

Vlaamse Gebarentaal wordt steeds zichtbaarder in de brede maatschappij, bijvoorbeeld door de inzet van dove en horende tolken voor Karrewiet en het journaal. Die evolutie zorgt meer dan eens voor discussies, onder meer op sociale media, over het als ‘correct’ beschouwde gebruik van VGT in verschillende contexten. Hierdoor merken we in het Vlaams GebarentaalCentrum op dat steeds meer taalgebruikers meer nadenken over VGT en dat, met andere woorden, het metatalig bewustzijn binnen de Vlaamse Dovengemeenschap toeneemt. 

Om deze discussies een forum te bieden, organiseerde het VGTC in november 2019 een studiedag over taalverandering. Iedereen die in dit thema geïnteresseerd was, kreeg de kans om zijn/haar bezorgdheden te uiten en om in overleg te gaan met een panel van lesgevers, dove tolken en andere VGT-taligen . We merkten tijdens vragenronde en panelgesprekken – en ook tijdens de voorbereiding en nabespreking van de studiedag – dat er bij een deel van de dovengemeenschap een (begrijpelijke) bezorgdheid leeft over de “verloedering” van de Vlaamse Gebarentaal. Daarom wordt vanuit een deel van de dovengemeenschap regelmatig de wens geuit dat het VGTC zou optreden als “taalpolitie” om het gebruik van wat sommigen ‘puur’ VGT noemen, vooral op zichtbare plaatsen, te verzekeren. Deze vraag om taalkwaliteitsbewaking – in dit geval op de VRT – te voorzien, wordt bovendien in het evaluatieonderzoek ‘Het Journaal met of in VGT’ van de Universiteit Antwerpen, expliciet aan ons gesteld (cf. Advies VGTC omtrent VGT op VRT). Om die redenen wil het Vlaams GebarentaalCentrum in deze tekst haar visie over taalnormering in Vlaamse Gebarentaal graag verduidelijken en op die manier haar rol in dit debat duiden.

Taal, variatie en standaardtaal

Voordat we dieper ingaan op onze visie rond taalnormering voor Vlaamse Gebarentaal, willen we eerst een aantal begrippen verduidelijken, te beginnen bij ‘taal’. Want wat is taal eigenlijk? Een eerste belangrijk kenmerk van talen is dat ze natuurlijk ontstaan. Wat we nu kennen als ‘Vlaamse Gebarentaal’ is bijvoorbeeld kunnen ontstaan doordat dove mensen met elkaar in contact kwamen en met elkaar begonnen te communiceren. Talen zijn dus een communicatiemiddel. Je gebruikt taal om je gedachten, gevoelens, kennis, waarnemingen, etc. over te brengen aan anderen. 

Binnen een taal kan er behoorlijk wat variatie optreden. Voorbeelden daarvan zijn verschillen in taalgebruik tussen jongeren en ouderen. Bovendien kunnen er ook verschillen in taalgebruik zijn tussen sprekers/gebaarders uit verschillende regio’s. 

Een variant binnen een taal is de standaardtaal. De Nederlandse Taalunie definieert standaardtaal als ‘een variant van de taal, die geschikt is om gebruikt te worden in het publieke domein’. In het geval van VGT verstaan we onder ‘het publieke domein’ bijvoorbeeld het onderwijs en de media (VGT op de VRT). Vaak wordt ervan uitgegaan dat er in de standaardvariant van de taal voor elk begrip slechts één gebaar of woord bestaat. Dat is echter niet zo. Binnen de standaardvariant is ook variatie mogelijk. In het Nederlands zijn ‘veranderen’ en ‘wijzigen’ bijvoorbeeld twee synoniemen, die beide tot de standaardtaal behoren. Dé standaardtaal als een objectief vaststaande norm bestaat dus niet. Het Vlaams GebarentaalCentrum volgt deze definitie.

Een laatste belangrijke aspect is dat taal, en dus ook de standaardtaal, steeds verandert. Zo kunnen bepaalde woorden, gebaren of uitdrukkingen verouderd raken en soms zelfs uit de taal verdwijnen, omdat ze niet meer gebruikt worden. Aan de andere kant komen er ook nieuwe woorden of gebaren voor bepaalde concepten bij. Voor Vlaamse Gebarentaal is dat niet anders. Zo werden er aanvankelijk bijvoorbeeld twee gebaren gebruikt voor ‘applicatie’. Enerzijds werd het gebaar APPLICATIE gebruikt (wat waarschijnlijk van het gebaar TOEPASSEN voortkomt) en ontstond er ook een nieuw gebaar APP. Anno 2020 stellen we vast dat het gebaar APPLICATIE minder in deze betekenis gebruikt wordt. 

Gebaar ‘APPLICATIE’
Gebaar ‘APP’

Taalverandering is een heel normaal proces, dat in alle talen voorkomt. In de context van VGT is het echter wel belangrijk om te vermelden dat het een minderheidstaal is, die sterk in contact staat met het Nederlands. Enkele mogelijke drijvende factoren voor de taalverandering van Vlaamse Gebarentaal zijn de invloed van het Nederlands, de toename van dove nieuwe gebaarders (De Meulder, 2018), veranderingen in het opleidingsniveau van dove gebarentaligen door veranderende onderwijscontexten, etc. We zien dat er over sommige (nieuwe) gebaren discussie ontstaat omdat ze worden gezien als een invloed vanuit het Nederlands en dus niet als ‘correct’ VGT worden beschouwd door sommige dove gebaarders . Bovendien hebben gebarentalen geen wijdverspreide geschreven vorm, wat mogelijk kan leiden tot een hogere graad van variatie. 

Taalnormering 

Taal is – zoals hierboven vermeld – een communicatiemiddel. Communiceren lukt het best als je elkaar goed begrijpt en dus grotendeels dezelfde woorden en zinsconstructies gebruikt. Dus hoe meer je met elkaar communiceert, hoe meer duidelijk wordt wat er binnen een taalgebied wèl en wat niet geaccepteerd wordt. Die opvattingen van taalgebruikers over wat wel en niet goed is, worden ‘de taalnorm’ genoemd. 

Ook binnen de Vlaamse Dovengemeenschap zien we een toenemend metatalig bewustzijn. We stellen vast dat dove gebaarders, bijvoorbeeld op sociale media,  vaker reflecteren over hun eigen taal(gebruik) en dat er bijvoorbeeld open discussies gehouden worden over ‘oude’ en ‘nieuwe’ gebaren. Daarbij wordt soms ook de vraag gesteld of een bepaalde structuur in VGT juist is. Door onderling taalcontact en veelvuldig taalgebruik voelen taalgebruikers aan wat voor hen VGT is, wat voor hen juist is en wat niet. Op die manier wordt de taalnorm door de taalgebruikers zelf, vormgegeven. Het zijn dus de mensen die de taal gebruiken, die aangeven wat aanvaardbaar taalgebruik is en wat niet. Wanneer een bepaald gebaar veel gebruikt wordt en daardoor wijd verspreid geraakt binnen de Vlaamse Dovengemeenschap, impliceert dat dat het aanvaard wordt door de taalgebruikers. Nieuwe gebaren kunnen enerzijds snel aanvaard worden door taalgebruikers, zoals het gebaar CORONA, maar kunnen anderzijds ook door hen verworpen worden. Gebaren die vreemd aanvoelen omdat ze bijvoorbeeld fonologisch anders zijn opgebouwd of als een invloed vanuit een andere taal gezien worden, zoals WC-BRIL, kunnen daardoor door een groot deel van de taalgemeenschap niet overgenomen worden. Ze raken dan slechts in zeer beperkte mate verspreid en kunnen mogelijk weer verdwijnen.

Gebaar ‘CORONA’
Gebaar ‘WC-BRIL’
Tijdens onze studiedag in november 2019 organiseerden we een stemming via Mentimeter. Daaruit bleek dat 81% van het aanwezige publiek Gebaar ‘WC-BRIL’ afkeurt.

Als we kijken naar taalkundig onderzoek omtrent Vlaamse Gebarentaal, stellen we vast dat de meeste onderzoekers descriptief werken. Dat wil zeggen dat ze rapporteren welke structuren en gebaren vaak voorkomen en dus tendensen formuleren, maar niet zozeer regels. Een belangrijk argument daarvoor is dat onderzoek naar Vlaamse Gebarentaal nog in haar kinderschoenen staat. Hoewel er enkele studies omtrent verschillende grammaticale aspecten van VGT gepubliceerd werden (bv. De Weerdt, D., 2016; Vermeerbergen, M., 1996; Demey, E., 2005), werd er tot op heden nog geen representatieve corpusstudie uitgevoerd en blijven vele aspecten nog onbelicht. Op lexicografisch vlak heeft het VGTC een woordenboek (https://woordenboek.vlaamsegebarentaal.be/) en een interne lexicale databank (SignBank), maar ook deze zijn nog vrij beperkt in omvang. Bovendien hebben we tot nu toe voornamelijk lexicon verzameld. Dat betekent dat we stilaan zicht krijgen op welke gebaren er voor een bepaald concept gebruikt worden, maar meer diepgaande analyses zijn hier nog nodig om bijvoorbeeld inzicht te krijgen in sociolinguïstische variatie, het al dan niet wijd verspreid zijn van die gebaren en betekenisrelaties tussen verschillende gebaren. 

Onze kennis over VGT is, met andere woorden, nog zeer beperkt, waardoor we nog onvoldoende inzicht hebben in wat aanvaardbaar taalgebruik is in VGT. Net om die redenen opteert het VGTC ook voor een descriptieve aanpak. We willen in de toekomst meer inzetten op corpusonderzoek om op die manier meer inzicht te krijgen in de structuur van VGT, maar we willen geen norm van bovenaf opleggen.  Het is net door niet van bovenaf in te grijpen, dat de taal op een zo natuurlijk mogelijke manier evolueert. Als we wel zouden ingrijpen, lopen we het risico van een kunstmatige vorm van VGT te creëren, die juist voor niemand ‘echt’ aanvoelt.  

Standaardisatie

In de discussie rond standaardisatie gelden dezelfde argumenten als hierboven.  Het woord ‘standaardisatie’ wijst op de evolutie die talen doorgaan in de vorming van een standaardtaal. In het algemeen worden twee vormen van standaardisatie van elkaar onderscheiden. Standaardisatie die van bovenaf opgelegd wordt, de zogenaamde ‘gestuurde standaardisatie’ en standaardisatie als een natuurlijk, spontaan proces. 

In de jaren ‘90, toen verschillende partijen in en rond de dovengemeenschap VGT wilde laten erkennen, ging men er aanvankelijk vanuit dat een standaardvariant in VGT daarvoor noodzakelijk zou zijn. Daarom organiseerde het toenmalige Fevlado (nu Doof Vlaanderen) in 1997 een overleg georganiseerd over welke aanpak in VGT toepasbaar zou zijn. Het besluit van die discussie was om geen standaardisatie op te leggen van bovenaf, maar om een spontaan standaardiseringsproces wel te ondersteunen. Hiervoor gaf Fevlado, dat advies inwon bij taalkundigen, drie hoofdredenen. Ten eerste was een eerdere poging om het lexicon in Vlaanderen te ‘uniformiseren’ – in het Nederlands met Gebaren-systeem – gefaald. Ten tweede kon er geen beslissing gemaakt worden over hoe die opgelegde standaardisatie dan wel zou moeten plaatsvinden. Een mogelijkheid zou zijn om de meest verspreide variant te kiezen – het Antwerps, maar verwacht werd dat VGT-taligen uit andere regio’s hier niet mee zouden akkoord gaan. Misschien is het een mogelijkheid om voorkeurgebaren te selecteren, bijvoorbeeld op basis van hun iconische kenmerken? Ook dat ligt moeilijk, omdat andere gebaren dan minder of niet meer zouden worden gebruikt. Op die manier loop je dus het risico om taalverarming in de hand te werken. Tot slot is er – zoals eerder reeds aangehaald werd – nog niet voldoende onderzoek in VGT om een opgelegde standaardisatie gegrond te kunnen uitvoeren. Ook hier loop je het risico om een gebaar te verkiezen boven een ander, omdat je ervan uitgaat dat het twee exacte synoniemen zijn, terwijl later blijkt dat beide gebaren toch van elkaar verschillen. In het Nederlands betekenen bijvoorbeeld de woorden ‘vomeren’, ‘overgeven’ en ‘kotsen’ hetzelfde, maar ze worden in een ander register gebruikt. In een kwaliteitskrant zal je zelden het woord ‘kotsen’ terugvinden, net zoals een groep jongeren waarschijnlijk niet het woord ‘vomeren’ zullen gebruiken. Het risico bestaat dat we in een gestuurd standaardisatieproces in VGT één ‘synoniem’ verkiezen boven een ander, terwijl achteraf blijkt dat de twee gebaren geen exacte synoniemen waren. Kortom, we hebben simpelweg niet voldoende bagage om standaardisatie te sturen. Bovendien dient ook te worden opgemerkt dat onderzoek aantoont dat Vlaamse Gebarentaal een spontane standaardisering ondergaat (Van Hecke en De Weerdt, 2004). 

In 2020, meer dan 20 jaar na deze discussie, is het Vlaams GebarentaalCentrum van mening dat deze argumenten nog steeds standhouden. We kiezen dus niet voor een gestuurde standaardisatie, maar moedigen in plaats daarvan spontane standaardisatie verder aan. Het belangrijkste element is hierbij het gebrek aan onderzoek in VGT. Een spontaan standaardisatieproces betekent niet dat ‘alles zomaar mag’ in VGT en dat er geen sprake is van een taalnorm. Een taalnorm kan wel bestaan, zoals we hierboven al aanhaalden, maar in dit geval wordt die norm vormgegeven door de taalgebruikers zelf en niet door een bevoegde instantie. Op die manier kan de taal zo natuurlijk mogelijk evolueren.

Wat doet het VGTC wèl? 

Het VGTC ondersteunt dus, omwille van bovenstaande redenen, geen gestuurde standaardisatie. We bepalen ook geen taalnorm. Wat doen we dan wel? Het doel van het VGTC is om op een descriptieve manier taalkundig onderzoek te voeren. We voeren dus onderzoek naar de structuren die zich in de taal bevinden, zonder daarbij een oordeel te vellen over wat juist of fout is. De bedoeling is om te rapporteren over frequenties en tendensen in VGT, en niet zozeer over regels of normen. Ook onderzoekers die werken met talen met een rijkere onderzoekstraditie, zoals bijvoorbeeld het Nederlands, zijn zeer voorzichtig en hanteren een eerder descriptieve aanpak. 

Concreet gaan onderzoekers, om inzicht te krijgen in de structuur van een taal, aan de slag met taaldata. Sinds 2015 is er een corpus voor VGT beschikbaar en we willen dat verder gebruiken om inzicht te krijgen in de grammatica en het lexicon van VGT. Door corpusonderzoek kunnen we een beter zicht krijgen in bijvoorbeeld regio-, leeftijds- en geslachtsgebonden variatie. Bovendien komen we te weten of bepaalde gebaren enkel in een specifieke context worden gebruikt en, of er bijvoorbeeld verschillen bestaan tussen gebaarders die VGT reeds als kind verworven hebben en gebaarders die pas als volwassene VGT begonnen te leren. Verschillen in meervoudsvorming, zinsbouw, etc. kunnen dan weer aangehaald worden in onderzoeksrapporten en/of grammaticaboeken.

Besluit

Samengevat kunnen we dus stellen dat het Vlaams GebarentaalCentrum nog steeds achter de visie staat van het ondersteunen van een spontaan standaardisatieproces, zonder zelf een norm op te leggen of ‘taalpolitie’ te spelen. Hierbij volgen we – naast de gangbare praktijk in het breder taalkundige veld – volledig de World Federation of the Deaf, dat in haar statement over standaardisatie in gebarentalen hetzelfde standpunt inneemt.

Het is wel onze missie om bij te dragen aan een beter begrip van Vlaamse Gebarentaal door in te zetten op objectief en descriptief onderzoek. Helaas zijn er slechts een klein aantal actieve onderzoekers die theoretisch en/of toegepast taalkundig onderzoek voeren naar VGT, maar elke stap vooruit is er één in de goede richting. Op die manier hopen we de VGT-taligen te ondersteunen en in het bijzonder zij die een zeer zichtbare rol als taalmodel vervullen, bijvoorbeeld de tolken op de VRT, leerkrachten in het dovenonderwijs enz. Voor hen willen we ons meer openstellen en een aanspreekpunt zijn, daar waar zij ons nodig hebben. Als het VGTC gemakkelijker aanspreekbaar is, zal het ook een beter zicht krijgen op waar de tekortkomingen in het onderzoek precies liggen en concreet mee op zoek kunnen gaan naar informatie, samen met zij die het nodig hebben. 

Referenties

  • Baker, A. (2008). Gebarentalen als natuurlijke talen. In A. Baker, B. Van den Bogaerde, R. Pfau & T. Schermer (Red.), Gebarentaalwetenschap: Een inleiding. 21-42. Deventer: Van Tricht uitgeverij. 
  • Demey, E. (2005). Fonologie van de Vlaamse Gebarentaal. Distinctiviteit & Iconiciteit. Proefschrift. UGent.
  • De Meulder, M. (2018). “So, why do you sign?” Deaf and hearing new signers, their motivation, and revitalisation policies for sign languages. Applied Linguistics Review, 10(4), 705-724.
  • De Weerdt, D. (2011). Het uitdrukken van existentie in Vlaamse Gebarentaal. https://www.vgtc.be/wp-content/uploads/2020/02/existentie-in-VGT.pdf
  • De Weerdt, K., Vanhecke, E., Van Herreweghe, M., & Vermeerbergen, M. (2003). Op (onder)zoek naar de Vlaamse gebaren-schat. Gent: Cultuur voor Doven.
  • Kiezebrink, R. (21/11/2012). Taalnormen zijn geen regels. De Standaard. https://www.standaard.be/cnt/dmf20121120_102
  • Rijckaert, J. & Dhoest, A. (2020). Het Journaal met of in VGT. Een evaluatieonderzoek naar het aanbod Vlaamse Gebarentaal op de VRT. http://sociaalcultureel.be/doc/Doc_GEBAAR/2020/Journaal-met-of-in-VGT_eindrapport.pdf. Universiteit Antwerpen
  • Taalunieversum. Wat is standaardtaal? (algemeen). http://taaladvies.net/taal/advies/tekst/85/
  • Van Herreweghe, M. & Vandemeulebroucke, E. (2016). Een standaardtaal voor de Vlaamse Gebarentaal. Verstoten of omarmen? Taal en Tongval. 68(2). 201-236
  • Vanhecke, E. & De Weerdt, K. (2004). Regional Variation in Flemish Sign Language. In M. Van Herreweghe & M. Vermeerbergen (Red.), To the lexicon and beyond: sociolinguistics in European deaf communities, p. 27-38. Washington DC: Gallaudet University Press. 
  • Van Herreweghe, M. & Vermeerbergen, M. (2004). Flemish sign language: some risks of codification. In M. Van Herreweghe & M. Vermeerbergen (Red.), To the lexicon and beyond : sociolinguistics in European deaf communities, p. 111–137. Washington DC: Gallaudet University Press.
  • Van Herreweghe, M. & Vermeerbergen, M. (2009). Flemish Sign Language standardisation. Current Issues in Language Planning, 10(3), 308-326
  • Vermeerbergen, M. (1996). ROOD KOOL TIEN PERSOON IN. Morfo-syntactische aspecten van gebarentaal. Ongepubliceerd proefschrift. Vrije Universiteit Brussel.
  • Vermeerbergen, M. & Van Herreweghe, M. (2010). Sign languages and sign language research. In J. Guendouzi, F. Loncke, & M. J. Williams (Red.), The handbook of psycholinguistic and cognitive processes : perspectives in communication disorders. 709–729. Psychology Press.
  • World Federation of the Deaf. Statement on standardized sign language. https://wfdeaf.org/news/wfd-statement-on-standardized-sign-language/