Veelgestelde vragen

Een uitgebreide uitleg voor mensen die weinig of niets over Vlaamse Gebarentaal weten.

Heb je nog andere vragen? Neem gerust contact op met ons.

Gebarentalen zijn talen. Ze ontstaan op een natuurlijke manier door contact tussen verschillende mensen, in dit geval dove mensen. Elke gebarentaal heeft een eigen grammatica en “gebarenschat”. In gebarentaal spreek je met je handen en lichaam, luisteren doe je met je ogen. Gebarentalen zijn gestueel-visuele talen, gesproken talen zijn oraal-auditieve talen.

Vlaamse Gebarentaal is de gebarentaal die gebruikt wordt door de Vlaamse Dovengemeenschap. De roepnaam van Vlaamse Gebarentaal is VGT.

Nee. In Spanje heb je de Spaanse Gebarentaal, in Finland de Finse en in Wallonië de Waalse Gebarentaal. Net omdat gebarentalen, net als gesproken talen, spontaan ontstonden, is er niet één universele gebarentaal. Zo is de Nederlandse Gebarentaal (NGT) heel verschillend van VGT, en vertoont de VGT dan weer meer overeenkomsten met de Waalse Gebarentaal (LSFB) dan met de Nederlandse. Gebarentalen hebben hun eigen geschiedenis apart van gesproken talen.

Tove Skutnabb-Kangas, een Finse taalkundige, stelt dat er tussen de 6.500 en 10.000 gesproken talen zijn, en een gelijkaardig aantal gebarentalen. Overal waar mensen andere mensen ontmoeten, ontstaan er talen. Daarom zijn er ook ongeveer evenveel gesproken talen als gebarentalen.

Ja. Op 26 april 2006 werd de Vlaamse Gebarentaal erkend door het Vlaams Parlement als taal in Vlaanderen. De succesvolle petitie van het Doof Actie Front bracht alles in een stroomversnelling, en het lobbywerk van Fevlado en Vlaams volksvertegenwoordiger Helga Stevens (zelf doof) maakten het plaatje compleet. De VGT is geen officiële taal erkend in de grondwet, zoals het Nederlands, Frans of Duits. Het is wél een erkende minderheidstaal die wettelijke bescherming geniet. SignFuse maakte een kortfilm over de dag van de erkenning.

Een gebarensysteem is geen taal. Het is een kunstmatige combinatie van de gesproken taal en gebaren. In Vlaanderen is dit Nederlands met gebaren. Dit komt erop neer dat je Nederlands spreekt en op hetzelfde moment de Nederlandse woorden ondersteunt met gebaren. De gebruikte gebaren zijn niet steeds dezelfde als in de Vlaamse Gebarentaal en de grammatica is die van het gesproken Nederlands. Een gebarensysteem wordt uitgevonden om een gesproken taal toegankelijker te maken. Vooral de horende leerkrachten in het dovenonderwijs hopen hierdoor het Nederlands makkelijker te maken voor dove mensen door twee talen te ‘combineren’. Het resultaat is echter dat dove kinderen geen enkele taal volwaardig onderwezen krijgen, noch de Vlaamse Gebarentaal, noch het Nederlands.

Dit is een manier om met de handen en vingers de 26 letters van het alfabet ‘in de lucht te schrijven’. De symbolen zijn gebaseerd op de geschreven vorm van het Nederlands en hebben eigenlijk niks te maken met de Vlaamse Gebarentaal. Toch wordt vingerspelling vaak gebruikt, bijvoorbeeld om de naam van een persoon te spellen of een plaatsnaam, maar ook afkortingen zoals BTW, OCMW en andere.

Voor mensen die een deel uitmaken van de Dovengemeenschap of die vaak het onderwerp van gesprek zijn (zoals politici) bestaan er naamgebaren. In plaats van steeds de naam van een persoon te moeten vingerspellen, krijgt die persoon één gebaar. Een naamgebaar krijg je op basis van een typisch (uiterlijk) kenmerk, een eigenschap, een hobby, een eigenaardigheidje, of gewoon op basis van je voornaam of familienaam. Ook steden en landen hebben vaak naamgebaren. Klik om de naamgebaren te zien voor Dublin, Moskou,Japan en België. Typisch voor naamgebaren is de manier waarop iemand dat gebaar krijgt. Je wettelijke naam krijg je meestal van je ouders, een naamgebaar wordt eigenlijk maar zelden gegeven door een ouder (behalve misschien wanneer de ouder zelf Doof is). Je kiest ook niet zelf je naamgebaar, je krijgt het van andere mensen.

Over alles. Soms denkt men dat je het in een gebarentaal alleen kan hebben over alledaagse dingen. Dit is niet het geval. Wekelijks brengt de website van Fevlado uiteenlopend nieuws in Vlaamse Gebarentaal, gaande van politieke mededelingen tot een oproep voor kandidaten voor een nieuw tv-programma. Je kan in VGT ook lezingen geven op de universiteit, je kan in VGT een verhitte discussie voeren met je vrienden, of je liefde verklaren aan iemand. Net zo kan je in VGT vlug of traag praten, door je tempo bij het gebaren te versnellen of te vertragen. Evengoed kan je roepen of fluisteren door de grootte van je gebaren aan te passen. En net zoals in een gesproken taal, pas je ook in een gebarentaal je taalgebruik aan afhankelijk van de situatie waarin je je bevindt: zo gebruik je een formele stijl van gebaren tijdens lezingen, een losse stijl met je vrienden, een beleefde stijl wanneer dat moet en nog een andere stijl tegen kleine kinderen. In gebarentalen kan je ook perfect nuances uitdrukken, of ironische of cynische humor gebruiken. Je kan er dus net zoveel mee doen en de mogelijkheden zijn net zo uitgebreid als bij gesproken talen.

Gesproken talen zijn bedoeld om te horen en kan je dus ook gebruiken in het donker. Gebarentalen moet je zien. Indien er geen licht of onvoldoende licht is, kan je niet of moeilijk met elkaar in een gebarentaal communiceren. Je kan je manier van gebaren echter wel aanpassen, zodat er toch iets van communicatie mogelijk is. Zo kan je in het donker langzamer of groter gebaren, net zoals je je stem kan verheffen of trager kan spreken als er lawaai is. Visuele talen zoals gebarentalen kan je ook gebruiken om te communiceren door glas of vanop grote afstand, wat niet of veel moeilijker kan met gesproken talen.

Vlaamse Gebarentaligen zijn mensen (doof of horend) wiens moedertaal, eerste taal of soms ook tweede taal de Vlaamse Gebarentaal is, en/of die zich identificeren met het gebruik van een visuele taal.

De afkorting CODA staat voor Children of Deaf Adults. Het gaat hier om horende kinderen met dove ouders. Aangezien hun ouders doof zijn, verwerven zij een gebarentaal als moedertaal.

Veel horende mensen kennen –om tal van redenen- VGT. Sommigen van hen hebben VGT als moedertaal, anderen gebruiken ze als tweede of vreemde taal, anderen zijn ze nog maar net beginnen te leren. CODA’s, tolken Vlaamse Gebarentaal, horende ouders van dove kinderen, broers en zussen van dove mensen, tolkstudenten, mensen die om professionele redenen in contact komen met dove kinderen of volwassenen, studenten van de cursussen VGT, … zijn allemaal horende mensen die in meerdere of mindere mate de VGT beheersen.

Als je de Vlaamse Dovengemeenschap opvat als de gemeenschap van dove Vlaamse Gebarentaligen, dan telt de Vlaamse Dovengemeenschap zo’n 6000 Dove mensen. Er zijn in Vlaanderen echter 60.000 mensen die doof of slechthorend geboren zijn, maar niet iedereen van hen kent en gebruikt VGT. Sommigen van hen hebben hun weg misschien nog niet gevonden naar de Vlaamse Dovengemeenschap, omdat ze (nog) niet in contact kwamen met VGT en/of dove mensen. Daarnaast is er nog een grote groep (zo’n 800.000 mensen) die één of andere vorm van gehoorverlies heeft. Hiertoe behoren bijvoorbeeld ouderdomsdoven, of sommige mensen die door bijvoorbeeld een auto-ongeval plots doof worden. Deze groepen zijn in zekere zin communicerende vaten en zijn dus niet statisch. Zeker de grens tussen de groep van 6.000 Vlaamse Gebarentaligen en 60.000 doven en slechthorenden die geen VGT kennen, is niet altijd even eenduidig te trekken. Dove mensen variëren in de frequentie van hun VGT-gebruik in het dagelijks leven. Er komen in elke groep ook mensen bij en er gaan mensen weg. Daarnaast zijn er nog een groot aantal horende mensen die VGT kennen. Hun aantal wordt geschat op zo’n 7000.

Nee, er zijn ook dove en slechthorende mensen die –om tal van redenen- geen VGT kennen of willen gebruiken. Dit kan komen doordat zij als kind nooit contact hadden met andere dove kinderen of volwassenen, omdat het hen door hun school of ouders werd afgeraden, of omdat ze zich niet thuisvoelen in en niet identificeren met de Vlaamse Dovengemeenschap.

Dove mensen zijn niet stom. Stom ben je als je niet kan spreken. Met dove mensen hun stembanden is in principe niks mis, alleen gebruiken ze hun stem soms liever niet omdat ze die zelf niet kunnen horen. Er zijn echter grote verschillen in welke mate dove en slechthorende mensen kunnen spreken, maar ook voor dove mensen die niet of weinig spreken is de term ‘doofstom’ fout, omdat de term gebruikt wordt voor mensen met technische problemen aan hun stembanden of spraakorgaan. Daarenboven heeft de term ‘doofstom’ een negatieve bijbetekenis: stom doet denken aan dom, wat dove mensen niet zijn. De juiste term is doof of slechthorend.

Veel mensen betwijfelen of je in een gebarentaal wel even snel kan praten als in een gesproken taal. Het is juist dat het maken van een gebaar langer kan duren dan het uitspreken van een woord, maar uit onderzoek blijkt dat het vormen van een zin in een gebarentaal ongeveer even lang duurt als het vormen van de overeenkomstige zin in een gesproken taal. Dit komt omdat gebarentalen niet de grammatica van gesproken talen volgen. Ze hebben een eigen grammatica die het mogelijk maakt om op hetzelfde moment verschillende dingen uit te drukken, terwijl je in gesproken talen elk woord achter het volgende moet zetten.

Gebaren maak je in de ruimte voor, naast en boven je lichaam. Die ruimte wordt de “gebarenruimte” genoemd. In een normale conversatie is die ruimte begrensd: niet hoger dan net boven je hoofd, niet lager dan de heupen en de gebaren in de ruimte voor en naast je moet je kunnen maken met gebogen armen. Als je nu heel luid wil gebaren, dan ga je die gebarenruimte gewoon vergroten. Stil praten doe je dan weer door je gebarenruimte te verkleinen.

Door gebaren te maken in de “fluisterruimte”. Dat is een speciaal soort ruimte waarin niet alleen kleine gebaren gemaakt worden, maar waar het lichaam ook een beetje gedraaid is (natuurlijk met je rug naar degene die je niet mag “horen”). Je maakt dan je gebaren heel dicht tegen je lichaam aan, ter hoogte van je middel, en je komt met je handen bijna nooit hoger dan de borststreek. Zo “verstop” je je gebaren.

Een tolk Vlaamse Gebarentaal vertaalt de Vlaamse Gebarentaal naar het gesproken Nederlands en omgekeerd. Vooraleer iemand zich tolk Vlaamse Gebarentaal mag noemen, moet die persoon een degelijke opleiding genoten hebben, een deontologische code ondertekenen en zich laten registreren bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. Een tolk Vlaamse Gebarentaal kan in elke situatie ingezet worden waar er communicatie nodig is tussen een horende en dove persoon. Zowel de horende als de dove persoon kunnen een tolk Vlaamse Gebarentaal aanvragen. Dit kan bij het Communicatie Assistentie Bureau (CAB). De tolk zal in eender welke situatie de gesproken taal naar Vlaamse Gebarentaal vertalen en de Vlaamse Gebarentaal naar de gesproken taal. Een tolk is geen maatschappelijk assistent of cultureel bemiddelaar. Voor sommige situaties hebben dove personen recht op tolkuren via het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. Die tolkuren zijn momenteel beperkt tot 18 uren per jaar per persoon voor situaties zoals ziekenhuisbezoek, oudercontact, afspraken met de bank,… Daarnaast kan een werkende dove persoon ook beroep doen op tolkuren. Dan gaat het om 10% van de arbeidstijd waarbij een tolk via de overheid betaald wordt. Het aantal uren dat de overheid financiert is beperkt en is niet voldoende om aan elke dove persoon het aantal uren te verlenen waarop ze recht hebben. Het beroep tolk Vlaamse Gebarentaal kan je gerust op de lijst van “uitzonderlijke beroepen” plaatsen. Momenteel werkt slechts een kleine minderheid fulltime als tolk. De relatief lage verloning en het statuut als zelfstandige zorgt er voor dat velen hun tolkwerk combineren met een andere job. Hierdoor is het aantal beschikbare tolken vrij beperkt, tot ergernis van horende en dove klanten.

Je spreekt ook niet over een “horende tolk”. Een tolk wordt aangeduid op grond van de talen waarnaar hij/zij tolkt. Zo spreek je over een tolk Frans, of een tolk Spaans. Net zo spreek je over een tolk Vlaamse Gebarentaal. Het woord “doventolk” impliceert bovendien dat een tolk VGT er enkel is voor doven. Ook horende mensen gebruiken tolken VGT. Als een dove persoon een lezing of presentatie moet geven voor een groep horende mensen die geen VGT kennen, dan hebben die horende mensen de tolk net zo goed nodig.

Dat kan. Indien je met dove mensen wil kunnen kletsen over wat er gebeurt in de wereld, kan je een cursus Vlaamse Gebarentaal volgen. Wil je echter aan de slag als tolk Vlaamse Gebarentaal, kan je terecht bij de tolkopleidingen.

Elk schooljaar organiseert Doof Vlaanderen Vorming vzw de cursussen Vlaamse Gebarentaal. De cursussen lopen van oktober tot april (behalve tijdens de schoolvakanties) en omvatten 20 lessen van telkens twee uur. Het zijn in de eerste plaats communicatiecursussen, toegankelijk voor een ruim publiek. De bedoeling is te leren om gewone, dagdagelijkse gesprekken te kunnen voeren in Vlaamse Gebarentaal. De cursussen werden ontwikkeld in samenwerking met het Vlaams Gebarentaalcentrum vzw en worden gegeven door dove docenten. Alle noodzakelijke informatie vind je hier.

Wil je graag de communicatie tussen dove en horende personen mogelijk maken in verschillende situaties? Dan is het beroep tolk Vlaamse Gebarentaal iets voor jou. Er zijn twee centra waar men de opleiding tot tolk Vlaamse Gebarentaal kan volgen:

KU Leuven Campus Antwerpen biedt als eerste universiteit een opleiding aan omtrent Vlaamse Gebarentaal, inclusief de mogelijkheid om
een universitair diploma tolk Vlaamse Gebarentaal te behalen.

Artevelde hogeschool Gent en AP Mechelen bieden je de kans om de opleiding in modules te volgen, zodat je op je eigen ritme naar het diploma tolk Vlaamse Gebarentaal kan toewerken.

Verklarende lijst van gebruikte taalkundige termen in de Vlaamse Gebarentaal

Omdat er veel vraag is naar taalkundige achtergrondinformatie over VGT, heeft het VGTC besloten om enkele basisinformatie over taalkunde Vlaamse Gebarentaal online te zetten.

De fonologie van gesproken talen bestaat uit de studie van klanken als kleinste betekenisonderscheidende deeltjes van de taal. Eén klank in een woord veranderen, kan namelijk een betekenisverschil teweegbrengen, zoals je kan zien in de Nederlandse woorden “bad” en “bed”.

William Stokoe was in 1960 de eerste onderzoeker die de fonologie van gebarentalen onder de loep nam. Hij stelde vast dat gebaren opgebouwd zijn uit vijf parameters, namelijk handvorm, locatie, beweging, oriëntatie en een non-manueel deel. Je zou kunnen zeggen dat dat de basisingrediënten zijn voor gebaren uit het frozen lexicon. Als je één parameter wijzigt, kan de betekenis van het gebaar mogelijk veranderen. Gebaren die slechts in één parameter van elkaar verschillen, worden “minimale paren” genoemd. Hieronder worden alle parameters kort uitgelicht:

Handvorm

Belangrijke elementen bij de studie van handvormen zijn bijvoorbeeld de stand van de vingers en of de handvorm open of gesloten is. Een minimaal paar is hier bijvoorbeeld OOSTENRIJK en AARDAPPEL.

(beeld invoegen van OOSTENRIJK-A en AARDAPPEL-C)

Locatie

De gebaarder kan gebaren maken op het hoofd, bovenlichaam, de niet-dominante hand en in de neutrale gebarenruimte voor zich. Een minimaal paar kan hier bijvoorbeeld BEENHOUWER en BOERDERIJ zijn.

(beeld invoegen BEENHOUWER-B en BOERDERIJ)

Beweging

Een gebaar kan op verschillende manieren bewegen. De eenvoudigste is de padbeweging, waarbij de hele hand doorheen de ruimte, van punt A naar punt B, beweegt. Een minimaal paar voor de parameter ‘beweging’ is bijvoorbeeld ONMIDDELLIJK en MINUUT.

(beeld invoegen ONMIDDELLIJK en MINUUT)

Oriëntatie

Onder oriëntatie beschrijven we de richting die de handpalm en de vingers uitwijzen. Zo verschillen de VGT-gebaren BEL en ANTWERPEN enkel op vlak van oriëntatie van elkaar en hebben ze elk een andere betekenis.

        (beeld invoegen van BEL en ANTWERPEN)

Non-manueel deel

Het non-manueel deel is het deel van het gebaar dat niet met de handen wordt uitgevoerd, zoals de mimiek, de houding van het hoofd of het bovenlichaam en mondbewegingen. Bij de gebaren LAMP en DOUCHE is het manuele deel gelijk, maar is het mondbeeld verschillend.

        (beeld invoegen van LAMP en DOUCHE)

In verschillende gebarentalen wordt er een onderscheid gemaakt tussen het “vast lexicon” (ook: “frozen lexicon” of “established lexicon”) en “productief lexicon”. Als we spreken van het vast lexicon, bedoelen we de gebaren zoals we die in een woordenboek zouden kunnen vinden. Die hebben namelijk een vaste handvorm, locatie, oriëntatie, beweging en non-manueel deel (zie: parameters). In principe wordt het gebaar BOOM bijvoorbeeld steeds met dezelfde parameters gebaard.

        (beeld invoegen van gebaar BOOM?)

Het feit dat de gebaren uit het frozen lexicon een vaste vorm hebben, betekent niet dat dat er geen nieuwe gebaren kunnen ontstaan. Het vaste lexicon kan altijd uitbreiden en evolueren. Zo was er in de jaren ’90 nog geen sprake van het gebaar voor SMARTPHONE of WHATSAPP, terwijl die termen nu veel gebruikt worden in conversaties onder gebarentaligen. Het gebaar voor TELEFOON is dan weer geëvolueerd doorheen de tijd, omdat de iconische relatie met de referent is veranderd.

        (beeld invoegen van gebaar TELEFOON (draaischijf), TELEFOON en GSM?)

Het tegenovergestelde van het “vast lexicon”, wordt het productief lexicon genoemd. In dit deel van het lexicon is er geen sprake van gebaren die een vaste vorm en betekenis hebben. Productieve gebaren zijn samengesteld met behulp van bouwstenen, zoals handvorm, oriëntatie, beweging en non-manuele component (zie parameters). Die bouwstenen worden met elkaar gecombineerd tot een “ad hoc” gebaar.

Als je bijvoorbeeld aan iemand wilt vertellen over een autoritje dat je gemaakt hebt, kan je daarvoor het gebaar RIJDEN uit het frozen lexicon gebruiken. Als je echter wilt vertellen dat het een erg hobbelige weg was, kan je daarvoor een productief gebaar samenstellen, waarbij je toont hoe de auto over die weg reed. Dat gebaar heeft geen vaste vorm en betekenis. In de context van dit verhaal wordt de betekenis vanzelf duidelijk.

(beeld invoegen van gebaar RIJDEN en wwc: “over-hobbelige-weg-rijden”)

Ook het gebaar GEVEN kan een productief gebaar worden. Als je bijvoorbeeld wilt vertellen dat je een boek aan iemand geeft, gebruik je een andere handvorm dan wanneer je zegt dat je iemand een fles aanreikt.

(beeld invoegen van gebaar “boek-geven” en “fles-geven”)

Een ‘classifier’ staat voor een bepaalde handvorm of voor bepaalde combinaties van een handvorm met een oriëntatie van de hand. Deze handvormen worden gebruikt om een referent (een persoon, een voorwerp, dier…) voor te stellen. Ze verwijzen bijna steeds naar (een deel van) de vorm van de referent die ze voorstellen. Zo kan een gebaarder bijvoorbeeld de 1-hand (handvorm waarbij de wijsvinger naar boven georiënteerd is) gebruiken om voorwerpen voor te stellen die lang en/of dun zijn, zoals een lantaarnpaal of een persoon.

(foto invoegen van 1-hand)

Er zijn verschillende soorten classifiers. Hieronder worden enkele veel voorkomende classifiers opgesomd, volgens de indeling van Johnston en Schembri (2007).

Entiteit classifiers

De entiteit classifiers verwijzen vaak naar (een deel van) de vorm van de referent die ze voorstellen. Zo kan een vlakke hand verwijzen naar de volledige vorm van de referent (bijvoorbeeld een auto of een boek). Aan de andere kant kan de ‘omgekeerde V-hand’ verwijzen naar de twee benen van een persoon. Op die manier kun je gemakkelijk de positie van objecten tegenover elkaar weergeven. Je kan bijvoorbeeld het verschil maken tussen auto’s die naast elkaar staan op een parking, of achter elkaar aan de kant van de weg.

(voorbeelden invoegen van B-hand en omgekeerde V-hand)

Manipuleer classifiers

De manipuleerclassifiers verwijzen naar de manier hoe een referent een voorwerp in de werkelijkheid vastneemt. De handvorm past zich dus aan aan het voorwerp. Als je bijvoorbeeld een glas vastneemt, zal je hand de vorm van het glas aannemen. Als je een boek, gebruik je een andere handvorm.

(voorbeelden invoegen van C-hand en BOEK-hand)

Size-and-shape-specifiers

Size-and-shape-specifiers, afgekort SASS, zijn een speciale vorm van classifiers. Ze worden gebruikt om de grootte en/of vorm van referente weer te geven. Zo kan ‘het golven van de zee’ worden weergegeven door de 5-hand. Mimiek is hierbij ook heel belangrijk. De gebaarder kan de wangen bijvoorbeeld opblazen als de referent dik of groot is, en trekt de wangen in voor iets kleins of duns.

(voorbeeld invoegen van 5-hand)

Als je meer wilt weten, kan je verder lezen in het onderzoek over classifiers van het VGTC in 2014. (link plakken naar onderzoek)

In gesproken talen is er in het algemeen geen relatie tussen de betekenis van een woord en het woord zelf. Het woord “appel” bijvoorbeeld toont op zichzelf niet aan waar het voor staat. De relatie tussen het woord en het begrip is dus arbitrair of willekeurig. Enkel onomatopeeën of klanknabootsingen, zoals “koekoek” of “kievit”, tonen een relatie aan tussen het woord en de betekenis. De woorden verwijzen naar het geluid dat de vogel maakt.

In gebarentalen gebeurt het veel vaker dat er een relatie is tussen een gebaar en een referent (i.e. datgene waarnaar het verwijst). Dat komt omdat het visuele talen zijn. Als er sprake is van een relatie tussen een gebaar en de referent, spreken we van iconische gebaren. Als die relatie er niet is, spreken we van een willekeurig of arbitrair gebaar.

Binnen de iconische gebaren, wordt er nog een onderscheid gemaakt tussen transparante en niet-transparante gebaren. Bij een transparant gebaar kan je meteen zien wat het betekent; bij een niet-transparant gebaar is dat moeilijker te zien.

Soms kan het ook zijn dat een gebaar ontstaat als een iconisch gebaar, maar evolueert binnen het frozen lexicon naar een arbitrair gebaar. Zo ontstond het gebaar WONEN oorspronkelijk uit een samenstelling van ETEN en SLAPEN, beide iconische gebaren. In de loop der tijd is de vorm van de samenstelling veranderd, zodat het nu niet meer wordt beschouwd als een iconisch gebaar.

(beeld invoegen van DRINKEN (transparant iconisch gebaar), KOFFIE(niet-transparant iconisch gebaar + uitleggen vanwaar het gebaar komt) en WONEN-D (arbitrair gebaar)

In het Nederlands kan het woord “gebaar” twee betekenissen hebben. Ten eerste kunnen we er de handbewegingen mee omschrijven die een (horende) persoon maakt terwijl hij spreekt. Die kunnen van cultuur tot cultuur verschillen. Het wordt bijvoorbeeld vaak gezegd dat Italianen zeer expressieve gebaren maken terwijl ze spreken. Ten tweede kan een gebaar ook lexicale eenheid uit een gebarentaal betekenen. In dat geval heeft het gebaar dus vastgelegde parameters; in de eerste betekenis niet.

In de Engelse taal wordt er een duidelijker onderscheid gemaakt. Gesticulaties van een spreker worden “gestures” genoemd en gebaren van een gebaarder “signs”. Toch betekent dat niet dat er in gebarentalen geen gestures voorkomen. Uit onderzoek, door Myriam Vermeerbergen en Eline Demey, blijkt dat gestures in verschillende vormen opduiken in VGT:

1)    Gestures en gebaren bestaan naast elkaar in de manuele modaliteit

Hiermee bedoelen we dat zowel gebaren (“signs”) als gestures met de handen worden geproduceerd. Een voorbeeld hiervan is de opsomming in VGT. De niet-dominante hand produceert een cijfer en de dominante hand tikt de vingertoppen van de niet-dominante hand aan en koppelt aan elke vinger een referent. Dat kan bijvoorbeeld plaatsvinden in de context van een verhaal over een familie, nl. iemand die vertelt dat hij drie kinderen heeft. De eerste heet Jan, de tweede Filip enz.

2)    Gestures en gebaren zijn geïntegreerd in één geheel

Er zijn onderzoeken die aantonen dat niet-gebarentalige mensen soms ook gestures maken die vergelijkbaar zijn met classifierconstructies. Adam Schembri concludeert dat het mogelijk is dat classifierconstructies dus zowel linguïstische als gesticulaire elementen bevatten.

3)    Gesture en “speech” wisselen van plaats: het linguïstische component wordt via het manuele kanaal geproduceerd, het gesticulaire deel met de mond

Uit onderzoek naar VGT blijkt dat gestures soms ook door gebaarders met de mond kunnen worden geproduceerd. Toen de onderzoekers aan een gebaarder een foto toonden van een vrachtwagen die een auto voortsleepte, gebaarde de VGT-talige het gebaar VRACHTWAGEN terwijl hij het geluid ervan nabootste.

Vroeger spraken onderzoekers over retorische vragen in gebarentalen, maar de term vraag-antwoord sequentie is correcter. Een vraag-antwoord sequentie maakt deel uit van de grammatica van gebarentalen. De gebaarder stelt een vraag, die hij onmiddellijk daarna zelf beantwoordt. Meestal woren die constructies gebruikt om het tweede deel van de zin (i.e. “het antwoord”) te benadrukken of om verbazing uit te drukken.

Een voorbeeld van een vraag-antwoord sequentie is een vraaggebaarconstructie. Hierbij eindigt het eerste deel met een vraaggebaar (bv. WIE, WAT, WAAROM). In het tweede deel geeft de gebaarder zelf een antwoord op de vraag die hij stelt. Bij het vraaggebaar gaan de wenkbrauwen van de gebaarder omhoog. Daarna volgt er meestal een korte pauze en dan het antwoord.

Bv: VANDAAG HUISWERK WAT? OEFENING 1 TOT 10

Naast vraaggebaarconstructies zijn er waarschijnlijk nog andere vormen van vraag-antwoord sequenties, maar die moeten nog verder worden onderzocht.

Voor bijna alle gebarentalen die bestudeerd zijn, geldt dat een ja/nee-vraag steeds gepaard gaat met een non-manuele markering. De gebaarder trekt namelijk de wenkbrauwen op en houdt voortdurend oogcontact met de gesprekspartner. Die markering maakt verplicht deel uit van de ja/nee-vraag en blijft duren tot de vraag gesteld is, of zelfs tot de gebaarder een antwoord op zijn vraag heeft gekregen.

De woordvolgorde van een ja/nee-vraag verschilt niet veel van die van een mededelende zin. Enkel de plaats van de pronominale wijsgebaren (gebaren die ‘ik’, ‘jij’, ‘hij’, ‘zij’… betekenen) kan verschillen. Meestal staat het wijsgebaar achteraan de zin bij een ja/nee-vraag. Het kan ook zijn dat het wijsgebaar zowel aan het begin als aan het einde van de vraag voorkomt.

(beeld invoegen voorbeeld ja/nee-vraag)

?__________________

IN HUIS BLIJVEN Wg3

Moet zij binnen blijven?

Vraagwoordvragen zijn vragen die een vraaggebaar bevatten. Dat kan onder meer het gebaar voor WIE, WAT, WANNEER, HOEVEEL, WAAR, WAAROM en HOE zijn. Dat vraaggebaar kan aan het begin van de zin voorkomen, aan het einde of aan het begin èn het einde van de zin.

Net zoals bij ja/nee-vragen, hoort er bij vraagwoordvragen een vaste non-manuele markering. De wenkbrauwen zijn samengetrokken en vaak is ook de positie van het hoofd anders. Het hoofd helt dan naar één kant of de kin is omlaag. In dit geval wordt de non-manuele markering niet aangehouden (zoals bij de ja/nee-vraag), maar eindigt ze onmiddellijk nadat de vraag gesteld is.

(beeld invoegen voorbeeld vraagwoordvraag)

q______________________

HOND BLAFFEN WAAROM

Waarom blaft die hond?

q_________________________

HOE AFSCHAFFEN FILE HOE

Hoe kunnen we de files afschaffen?

In VGT is, net zoals in andere talen, de woordvolgorde erg van belang om onder meer de grammaticale functie van de argumenten aan te duiden. De zin “Jan slaat Piet” betekent natuurlijk iets anders dan “Piet slaat Jan”. Dat voorbeeld noemen we een zin met ‘omkeerbare argumenten’.

Bij zinnen met omkeerbare argumenten, is de meest voorkomende woordvolgorde in VGT subject – werkwoord – object (SVO). In dit geval ziet de zin in VGT er dus als volgt uit, als Jan de handelende persoon is:

JAN SLAAN PIET.

Een SOV-volgorde (subject – object – werkwoord) kan echter ook voorkomen. Sommige oudere gebaarders kozen bovendien liever voor een SV/SV-structuur, waardoor de voorbeeldzin

JONGEN DUWEN MEISJE.

verandert in:

MEISJE ZEUREN GRAAG / JONGEN DUWEN.

In zinnen met niet-omkeerbare argumenten gaat in het algemeen de voorkeur uit naar de SVO-, en de SOV-volgorde. Ook hier kan de SV-volgorde voorkomen, of zelfs een de volgorde: subject – werkwoord – object – werkwoord, zoals in het onderstaand voorbeeld, waar een werkwoordelijke constructie wordt gebruikt op de plaats van het werkwoord. Een werkwoordelijke constructie maakt deel uit van het productief lexicon.

JONGEN ETEN TAART wwc:“taart-eten”