Nuances in het debat rond de culturele toe-eigening van gebarentalen

Recent is er op sociale media opnieuw discussie ontstaan rond de cultural appropriation, of culturele toe-eigening van gebarentalen. Dit is een gevoelig en complex onderwerp. In dit soort discussies is er geen eenduidig antwoord mogelijk. Er zijn verschillende perspectieven, elk met eigen motieven en een eigen achtergrond. Het VGTC wil daarom graag inpikken op deze discussie en nuance brengen rond het thema, met respect voor deze verschillende perspectieven. 

We spreken van culturele toe-eigening wanneer leden uit de meerderheidsgroep bepaalde culturele elementen overnemen uit een minderheidsgroep. De laatste jaren wordt deze term in de kunstwereld steeds vaker gebruikt. Kunstenaars kunnen bijvoorbeeld volgens critici alleen iets brengen over de cultuur waartoe ze zelf behoren. Dat geldt ook voor vertalingen van culturele werken. Een recent voorbeeld hiervan is de discussie rond de Nederlandse vertaling van Amanda Gorman’s gedichten door een witte vertaler. Denk bijvoorbeeld ook aan vertolkingen van liedjes (vaak door horende leerders) die voor doven niet toegankelijk zijn omdat de betekenis verloren gaat door een te letterlijke vertaling. Of mensen die online producten verkopen met afbeeldingen van een handalfabet zonder dat ze zelf iets met de dovengemeenschap te maken hebben. Een manier waarop dit problematisch kan zijn, is wanneer de enige motivatie eigenbelang is. Zoals wanneer mensen die een beetje kunnen gebaren, dit gebruiken om meer aandacht op sociale media te krijgen, en om zo geld te vergaren. De horende meerderheid kan op die manier de vruchten plukken, zonder de nadelen te ondervinden die de minderheidsgroep wel ervaart en zonder het verleden en de reeds geleverde strijd te erkennen.

Voor alle duidelijkheid: uit oprechte interesse een inspanning doen om een gebarentaal te leren, om de cultuur te begrijpen, om de gemeenschap te steunen,… is geen culturele toe-eigening, ongeacht iemands gehoorstatus. Het is dus geen kwestie van “doof genoeg” zijn om bepaalde dingen te mogen doen. In principe kan trouwens niemand zich een taal “toe-eigenen”, taal is inherent een sociaal en cultureel bindmiddel. Hoe meer mensen een taal beheersen (wanneer iemand een taal beheerst, is weer een andere discussie), hoe levendiger ze wordt en hoe meer voordelen de taalgebruikers er zelf van ondervinden. We willen hierbij wel het belang van talige expertise, opleiding en context benadrukken. Er is een groot verschil tussen een hobby beoefenen of een persoonlijke interesse verder ontwikkelen en professioneel vertalen of tolken voor een breed publiek. Het is positief dat beide mogelijk zijn, voor beide is er een tijd en een plaats. Maar de twee mogen niet met elkaar verward worden.

Waarom ligt het leren en het gebruiken van een gebarentaal dan soms zo gevoelig? De frustratie groeit deels vanuit een gebrek aan aandacht voor de collectieve ervaring van onbegrip, discriminatie en onderdrukking die dove gebarentaligen met zich meedragen. Dat de gebarentalige gemeenschap in Vlaanderen zo klein is, wil ook zeggen dat ze vaak over het hoofd wordt gezien en dat ze tot op de dag van vandaag veel barrières ervaart. Gebarentaal en die gedeelde ervaringen vormen onlosmakelijk een deel van de identiteit van dove gebarentaligen. Die identiteit en cultuur werden lang systematisch niet aanvaard door de horende maatschappij. Gebarentalen werden zelfs niet beschouwd als volwaardige talen. Het feit dat Vlaamse Gebarentaal jarenlang niet gebruikt mocht worden in het dovenonderwijs, is daar slechts één voorbeeld van.

Een gebarentaal is niet enkel een mooi, grappig, bijzonder extraatje: voor velen is het vooral een noodzakelijk communicatiemiddel. Toch worden babygebaren bij horende baby’s van horende oud ers nog steeds sterk gepromoot, terwijl horende ouders van een dove baby moeilijk hun weg vinden naar Vlaamse Gebarentaal. Daarnaast zijn er talloze cursussen en opleidingen VGT gericht op horende geïnteresseerden, maar regulier onderwijs aan (dove) kinderen in VGT is nog steeds niet mogelijk. Dit illustreert opnieuw de grote ongelijkheid die er nog altijd is. Gezien de positie van privilege waaruit toe-eigening vaak gebeurt, is het logisch dat de minderheid zich afvraagt “waarom zij wel, en wij niet?”.

Het is zeker positief dat er meer en meer aandacht is voor Vlaamse Gebarentaal door en voor horenden. Dat kan positieve gevolgen hebben voor de maatschappelijke waardering van VGT en toenadering tussen de overwegend horende maatschappij en de dovengemeenschap bevorderen. Als er wederzijds respect is tussen gebarentaligen en nieuwkomers, kan onze gemeenschap alleen maar groeien en sterker worden. Dat neemt niet weg dat er minstens evenveel aandacht zou moeten zijn voor de noden van doven, denk bijvoorbeeld aan onderwijs in VGT, toegang tot VGT vanaf jonge leeftijd,… Het feit dat meer en meer horenden interesse hebben in VGT mag niet betekenen dat dove mensen daardoor minder kansen krijgen. Het VGTC zet daarom al 25 jaar lang bewust dove lesgevers in voor haar cursussen. Dove gebarentaligen kunnen beter dan wie ook hun eigen cultuur en hun eigen taal met de juiste nuances doorgeven. Het is belangrijk om de dovengemeenschap te betrekken bij de projecten die over hun eigen taal en cultuur gaan, uit respect voor de collectieve ervaring van discriminatie, onbegrip, onderdrukking. In plaats van energie te besteden aan de negatieve aspecten en “wat niet mag”, pleiten we er liever voor om andere zaken, zoals toegang tot VGT en onderwijs in VGT, te verwezenlijken. Een mooi recent voorbeeld is het inzetten van dove tolken bij de persconferenties rond COVID-19. Laten we een positief verhaal schrijven, waar de gebarentalige gemeenschap hier in Vlaanderen van in het begin bij betrokken wordt.