Verklarende lijst van gebruikte taalkundige termen in de Vlaamse Gebarentaal

Omdat er veel vraag is naar taalkundige achtergrondinformatie over VGT, heeft het VGTC besloten om enkele basisinformatie over taalkunde Vlaamse Gebarentaal online te zetten.

De fonologie van gesproken talen bestaat uit de studie van klanken als kleinste betekenisonderscheidende deeltjes van de taal. Eén klank in een woord veranderen, kan namelijk een betekenisverschil teweegbrengen, zoals je kan zien in de Nederlandse woorden “bad” en “bed”.

William Stokoe was in 1960 de eerste onderzoeker die de fonologie van gebarentalen onder de loep nam. Hij stelde vast dat gebaren opgebouwd zijn uit vijf parameters, namelijk handvorm, locatie, beweging, oriëntatie en een non-manueel deel. Je zou kunnen zeggen dat dat de basisingrediënten zijn voor gebaren uit het frozen lexicon. Als je één parameter wijzigt, kan de betekenis van het gebaar mogelijk veranderen. Gebaren die slechts in één parameter van elkaar verschillen, worden “minimale paren” genoemd. Hieronder worden alle parameters kort uitgelicht:

Handvorm

Belangrijke elementen bij de studie van handvormen zijn bijvoorbeeld de stand van de vingers en of de handvorm open of gesloten is. Een minimaal paar is hier bijvoorbeeld OOSTENRIJK en AARDAPPEL.

(beeld invoegen van OOSTENRIJK-A en AARDAPPEL-C)

Locatie

De gebaarder kan gebaren maken op het hoofd, bovenlichaam, de niet-dominante hand en in de neutrale gebarenruimte voor zich. Een minimaal paar kan hier bijvoorbeeld BEENHOUWER en BOERDERIJ zijn.

(beeld invoegen BEENHOUWER-B en BOERDERIJ)

Beweging

Een gebaar kan op verschillende manieren bewegen. De eenvoudigste is de padbeweging, waarbij de hele hand doorheen de ruimte, van punt A naar punt B, beweegt. Een minimaal paar voor de parameter ‘beweging’ is bijvoorbeeld ONMIDDELLIJK en MINUUT.

(beeld invoegen ONMIDDELLIJK en MINUUT)

Oriëntatie

Onder oriëntatie beschrijven we de richting die de handpalm en de vingers uitwijzen. Zo verschillen de VGT-gebaren BEL en ANTWERPEN enkel op vlak van oriëntatie van elkaar en hebben ze elk een andere betekenis.

        (beeld invoegen van BEL en ANTWERPEN)

Non-manueel deel

Het non-manueel deel is het deel van het gebaar dat niet met de handen wordt uitgevoerd, zoals de mimiek, de houding van het hoofd of het bovenlichaam en mondbewegingen. Bij de gebaren LAMP en DOUCHE is het manuele deel gelijk, maar is het mondbeeld verschillend.

        (beeld invoegen van LAMP en DOUCHE)

In verschillende gebarentalen wordt er een onderscheid gemaakt tussen het “vast lexicon” (ook: “frozen lexicon” of “established lexicon”) en “productief lexicon”. Als we spreken van het vast lexicon, bedoelen we de gebaren zoals we die in een woordenboek zouden kunnen vinden. Die hebben namelijk een vaste handvorm, locatie, oriëntatie, beweging en non-manueel deel (zie: parameters). In principe wordt het gebaar BOOM bijvoorbeeld steeds met dezelfde parameters gebaard.

        (beeld invoegen van gebaar BOOM?)

Het feit dat de gebaren uit het frozen lexicon een vaste vorm hebben, betekent niet dat dat er geen nieuwe gebaren kunnen ontstaan. Het vaste lexicon kan altijd uitbreiden en evolueren. Zo was er in de jaren ’90 nog geen sprake van het gebaar voor SMARTPHONE of WHATSAPP, terwijl die termen nu veel gebruikt worden in conversaties onder gebarentaligen. Het gebaar voor TELEFOON is dan weer geëvolueerd doorheen de tijd, omdat de iconische relatie met de referent is veranderd.

        (beeld invoegen van gebaar TELEFOON (draaischijf), TELEFOON en GSM?)

Het tegenovergestelde van het “vast lexicon”, wordt het productief lexicon genoemd. In dit deel van het lexicon is er geen sprake van gebaren die een vaste vorm en betekenis hebben. Productieve gebaren zijn samengesteld met behulp van bouwstenen, zoals handvorm, oriëntatie, beweging en non-manuele component (zie parameters). Die bouwstenen worden met elkaar gecombineerd tot een “ad hoc” gebaar.

Als je bijvoorbeeld aan iemand wilt vertellen over een autoritje dat je gemaakt hebt, kan je daarvoor het gebaar RIJDEN uit het frozen lexicon gebruiken. Als je echter wilt vertellen dat het een erg hobbelige weg was, kan je daarvoor een productief gebaar samenstellen, waarbij je toont hoe de auto over die weg reed. Dat gebaar heeft geen vaste vorm en betekenis. In de context van dit verhaal wordt de betekenis vanzelf duidelijk.

(beeld invoegen van gebaar RIJDEN en wwc: “over-hobbelige-weg-rijden”)

Ook het gebaar GEVEN kan een productief gebaar worden. Als je bijvoorbeeld wilt vertellen dat je een boek aan iemand geeft, gebruik je een andere handvorm dan wanneer je zegt dat je iemand een fles aanreikt.

(beeld invoegen van gebaar “boek-geven” en “fles-geven”)

Een ‘classifier’ staat voor een bepaalde handvorm of voor bepaalde combinaties van een handvorm met een oriëntatie van de hand. Deze handvormen worden gebruikt om een referent (een persoon, een voorwerp, dier…) voor te stellen. Ze verwijzen bijna steeds naar (een deel van) de vorm van de referent die ze voorstellen. Zo kan een gebaarder bijvoorbeeld de 1-hand (handvorm waarbij de wijsvinger naar boven georiënteerd is) gebruiken om voorwerpen voor te stellen die lang en/of dun zijn, zoals een lantaarnpaal of een persoon.

(foto invoegen van 1-hand)

Er zijn verschillende soorten classifiers. Hieronder worden enkele veel voorkomende classifiers opgesomd, volgens de indeling van Johnston en Schembri (2007).

Entiteit classifiers

De entiteit classifiers verwijzen vaak naar (een deel van) de vorm van de referent die ze voorstellen. Zo kan een vlakke hand verwijzen naar de volledige vorm van de referent (bijvoorbeeld een auto of een boek). Aan de andere kant kan de ‘omgekeerde V-hand’ verwijzen naar de twee benen van een persoon. Op die manier kun je gemakkelijk de positie van objecten tegenover elkaar weergeven. Je kan bijvoorbeeld het verschil maken tussen auto’s die naast elkaar staan op een parking, of achter elkaar aan de kant van de weg.

(voorbeelden invoegen van B-hand en omgekeerde V-hand)

Manipuleer classifiers

De manipuleerclassifiers verwijzen naar de manier hoe een referent een voorwerp in de werkelijkheid vastneemt. De handvorm past zich dus aan aan het voorwerp. Als je bijvoorbeeld een glas vastneemt, zal je hand de vorm van het glas aannemen. Als je een boek, gebruik je een andere handvorm.

(voorbeelden invoegen van C-hand en BOEK-hand)

Size-and-shape-specifiers

Size-and-shape-specifiers, afgekort SASS, zijn een speciale vorm van classifiers. Ze worden gebruikt om de grootte en/of vorm van referente weer te geven. Zo kan ‘het golven van de zee’ worden weergegeven door de 5-hand. Mimiek is hierbij ook heel belangrijk. De gebaarder kan de wangen bijvoorbeeld opblazen als de referent dik of groot is, en trekt de wangen in voor iets kleins of duns.

(voorbeeld invoegen van 5-hand)

Als je meer wilt weten, kan je verder lezen in het onderzoek over classifiers van het VGTC in 2014. (link plakken naar onderzoek)

In gesproken talen is er in het algemeen geen relatie tussen de betekenis van een woord en het woord zelf. Het woord “appel” bijvoorbeeld toont op zichzelf niet aan waar het voor staat. De relatie tussen het woord en het begrip is dus arbitrair of willekeurig. Enkel onomatopeeën of klanknabootsingen, zoals “koekoek” of “kievit”, tonen een relatie aan tussen het woord en de betekenis. De woorden verwijzen naar het geluid dat de vogel maakt.

In gebarentalen gebeurt het veel vaker dat er een relatie is tussen een gebaar en een referent (i.e. datgene waarnaar het verwijst). Dat komt omdat het visuele talen zijn. Als er sprake is van een relatie tussen een gebaar en de referent, spreken we van iconische gebaren. Als die relatie er niet is, spreken we van een willekeurig of arbitrair gebaar.

Binnen de iconische gebaren, wordt er nog een onderscheid gemaakt tussen transparante en niet-transparante gebaren. Bij een transparant gebaar kan je meteen zien wat het betekent; bij een niet-transparant gebaar is dat moeilijker te zien.

Soms kan het ook zijn dat een gebaar ontstaat als een iconisch gebaar, maar evolueert binnen het frozen lexicon naar een arbitrair gebaar. Zo ontstond het gebaar WONEN oorspronkelijk uit een samenstelling van ETEN en SLAPEN, beide iconische gebaren. In de loop der tijd is de vorm van de samenstelling veranderd, zodat het nu niet meer wordt beschouwd als een iconisch gebaar.

(beeld invoegen van DRINKEN (transparant iconisch gebaar), KOFFIE(niet-transparant iconisch gebaar + uitleggen vanwaar het gebaar komt) en WONEN-D (arbitrair gebaar)

In het Nederlands kan het woord “gebaar” twee betekenissen hebben. Ten eerste kunnen we er de handbewegingen mee omschrijven die een (horende) persoon maakt terwijl hij spreekt. Die kunnen van cultuur tot cultuur verschillen. Het wordt bijvoorbeeld vaak gezegd dat Italianen zeer expressieve gebaren maken terwijl ze spreken. Ten tweede kan een gebaar ook lexicale eenheid uit een gebarentaal betekenen. In dat geval heeft het gebaar dus vastgelegde parameters; in de eerste betekenis niet.

In de Engelse taal wordt er een duidelijker onderscheid gemaakt. Gesticulaties van een spreker worden “gestures” genoemd en gebaren van een gebaarder “signs”. Toch betekent dat niet dat er in gebarentalen geen gestures voorkomen. Uit onderzoek, door Myriam Vermeerbergen en Eline Demey, blijkt dat gestures in verschillende vormen opduiken in VGT:

1)    Gestures en gebaren bestaan naast elkaar in de manuele modaliteit

Hiermee bedoelen we dat zowel gebaren (“signs”) als gestures met de handen worden geproduceerd. Een voorbeeld hiervan is de opsomming in VGT. De niet-dominante hand produceert een cijfer en de dominante hand tikt de vingertoppen van de niet-dominante hand aan en koppelt aan elke vinger een referent. Dat kan bijvoorbeeld plaatsvinden in de context van een verhaal over een familie, nl. iemand die vertelt dat hij drie kinderen heeft. De eerste heet Jan, de tweede Filip enz.

2)    Gestures en gebaren zijn geïntegreerd in één geheel

Er zijn onderzoeken die aantonen dat niet-gebarentalige mensen soms ook gestures maken die vergelijkbaar zijn met classifierconstructies. Adam Schembri concludeert dat het mogelijk is dat classifierconstructies dus zowel linguïstische als gesticulaire elementen bevatten.

3)    Gesture en “speech” wisselen van plaats: het linguïstische component wordt via het manuele kanaal geproduceerd, het gesticulaire deel met de mond

Uit onderzoek naar VGT blijkt dat gestures soms ook door gebaarders met de mond kunnen worden geproduceerd. Toen de onderzoekers aan een gebaarder een foto toonden van een vrachtwagen die een auto voortsleepte, gebaarde de VGT-talige het gebaar VRACHTWAGEN terwijl hij het geluid ervan nabootste.

Vroeger spraken onderzoekers over retorische vragen in gebarentalen, maar de term vraag-antwoord sequentie is correcter. Een vraag-antwoord sequentie maakt deel uit van de grammatica van gebarentalen. De gebaarder stelt een vraag, die hij onmiddellijk daarna zelf beantwoordt. Meestal woren die constructies gebruikt om het tweede deel van de zin (i.e. “het antwoord”) te benadrukken of om verbazing uit te drukken.

Een voorbeeld van een vraag-antwoord sequentie is een vraaggebaarconstructie. Hierbij eindigt het eerste deel met een vraaggebaar (bv. WIE, WAT, WAAROM). In het tweede deel geeft de gebaarder zelf een antwoord op de vraag die hij stelt. Bij het vraaggebaar gaan de wenkbrauwen van de gebaarder omhoog. Daarna volgt er meestal een korte pauze en dan het antwoord.

Bv: VANDAAG HUISWERK WAT? OEFENING 1 TOT 10

Naast vraaggebaarconstructies zijn er waarschijnlijk nog andere vormen van vraag-antwoord sequenties, maar die moeten nog verder worden onderzocht.

Voor bijna alle gebarentalen die bestudeerd zijn, geldt dat een ja/nee-vraag steeds gepaard gaat met een non-manuele markering. De gebaarder trekt namelijk de wenkbrauwen op en houdt voortdurend oogcontact met de gesprekspartner. Die markering maakt verplicht deel uit van de ja/nee-vraag en blijft duren tot de vraag gesteld is, of zelfs tot de gebaarder een antwoord op zijn vraag heeft gekregen.

De woordvolgorde van een ja/nee-vraag verschilt niet veel van die van een mededelende zin. Enkel de plaats van de pronominale wijsgebaren (gebaren die ‘ik’, ‘jij’, ‘hij’, ‘zij’… betekenen) kan verschillen. Meestal staat het wijsgebaar achteraan de zin bij een ja/nee-vraag. Het kan ook zijn dat het wijsgebaar zowel aan het begin als aan het einde van de vraag voorkomt.

(beeld invoegen voorbeeld ja/nee-vraag)

?__________________

IN HUIS BLIJVEN Wg3

Moet zij binnen blijven?

Vraagwoordvragen zijn vragen die een vraaggebaar bevatten. Dat kan onder meer het gebaar voor WIE, WAT, WANNEER, HOEVEEL, WAAR, WAAROM en HOE zijn. Dat vraaggebaar kan aan het begin van de zin voorkomen, aan het einde of aan het begin èn het einde van de zin.

Net zoals bij ja/nee-vragen, hoort er bij vraagwoordvragen een vaste non-manuele markering. De wenkbrauwen zijn samengetrokken en vaak is ook de positie van het hoofd anders. Het hoofd helt dan naar één kant of de kin is omlaag. In dit geval wordt de non-manuele markering niet aangehouden (zoals bij de ja/nee-vraag), maar eindigt ze onmiddellijk nadat de vraag gesteld is.

(beeld invoegen voorbeeld vraagwoordvraag)

q______________________

HOND BLAFFEN WAAROM

Waarom blaft die hond?

q_________________________

HOE AFSCHAFFEN FILE HOE

Hoe kunnen we de files afschaffen?

In VGT is, net zoals in andere talen, de woordvolgorde erg van belang om onder meer de grammaticale functie van de argumenten aan te duiden. De zin “Jan slaat Piet” betekent natuurlijk iets anders dan “Piet slaat Jan”. Dat voorbeeld noemen we een zin met ‘omkeerbare argumenten’.

Bij zinnen met omkeerbare argumenten, is de meest voorkomende woordvolgorde in VGT subject – werkwoord – object (SVO). In dit geval ziet de zin in VGT er dus als volgt uit, als Jan de handelende persoon is:

JAN SLAAN PIET.

Een SOV-volgorde (subject – object – werkwoord) kan echter ook voorkomen. Sommige oudere gebaarders kozen bovendien liever voor een SV/SV-structuur, waardoor de voorbeeldzin

JONGEN DUWEN MEISJE.

verandert in:

MEISJE ZEUREN GRAAG / JONGEN DUWEN.

In zinnen met niet-omkeerbare argumenten gaat in het algemeen de voorkeur uit naar de SVO-, en de SOV-volgorde. Ook hier kan de SV-volgorde voorkomen, of zelfs een de volgorde: subject – werkwoord – object – werkwoord, zoals in het onderstaand voorbeeld, waar een werkwoordelijke constructie wordt gebruikt op de plaats van het werkwoord. Een werkwoordelijke constructie maakt deel uit van het productief lexicon.

JONGEN ETEN TAART wwc:“taart-eten”